7  Beschrijving van de roeitechniek

7.1  Het afstellen van het voetenbord

Om de roeibeweging optimaal uit te kunnen voeren is een goede afstelling van het voetenbord cruciaal. Als een voetenbord te ver van de roeier af staat, staan de handen bij de inzet de dicht op elkaar en heeft hij te weinig ruimte bij de uitzet (een boordroeier valt dan van zijn boord). Als een voetenbord te dicht bij de roeier staat, kan de roeier te ver oprijden en heeft hij te veel ruimte bij de uitzet. Bij een voetenbord dat te hoog staat kunnen de onderbenen bij de inzet niet verticaal genoeg komen. Als het te laag staat komen de onderbenen door de verticaal bij de inzet. Voor een goede afstelling geldt het volgende:

In de uitzethouding:

       Het bankje mag de achterstops niet raken

       De romp is 15-20 doorgevallen (heuphoek)

       Scullen: duimen raken net de onderste ribben* (riemen mogen niet voorbij het lichaam gehaald kunnen worden) (ellebooghoek)

       Boordroeien: het uiteinde van de riem komt gelijk of iets naast de zijkant van het lichaam. (ellebooghoek)

 

In de inzethouding:

       Het bankje mag de voorstops niet raken

       Kniehoek is niet kleiner dan 45: onderbenen (bijna) vertikaal d.w.z. knien boven (of net achter)enkels

       Ongeforceerde, ontspannen houding

 

*Dit is de ideale hoogte. In de praktijk is de hoogte afhankelijk van de afstelling en gewichtsklasse van de boot.

Drie controlepunten bij de inzet en de uitzet: hoeken van ellebogen, heupen en knien

 

 

7.2  Handlevoering

Een foute grip veroorzaakt blessures en is, eenmaal aangeleerd, niet makkelijk te corrigeren. Leer meteen een riem correct vast te houden. Begin de instructie elke keer met aandacht voor een correcte grip en het oefenen van het draaien.

Scullgrip

       Ontspannen met de duimen op het uiteinde van de handel, met een beetje doldruk naar buiten.

       De andere vingers zijn om de riem gekromd.

       De handpalmen zijn los van de riemen

       De pols blijft vlak tijdens de haal, in het verlengde van onderarm en handrug.

 

scullgrip

 

Oarsgrip

       De handen liggen ongeveer 2,5 handbreedtes uit elkaar.

       De vingers zijn losjes, als haken, om de handel gekromd, met de duimen onder de handel.

       De handpalmen zijn los van de riemen

       Beide polsen zijn vlak tijdens de haal, in het verlengde van onderarm en de handrug.

 

oarsgrip

 

 

7.3  Draaien

Het draaien is een geleidelijke beweging.

Scullen

       Het draaien voor de inzet en terugdraaien na de inzet gebeurt door de druk van de vingers.

       De pols kantelt terug naar een vlakke stand tijdens het draaien voor de inzet.

       De binnenkant van de pols beweegt richting knien bij het terugdraaien na de uitzet.

 

Kantelen van de pols na de uitzet

 

Oarsen

       Het draaien van het blad, zowel bij de inzet als uitzet, wordt alleen door de binnenhand gedaan.

       Het terugdraaien na de uitzet gebeurt door de vingers en duim van de binnenhand. De binnenkant van de pols beweegt richting knien

       De vingers van de buitenhand blijven om de riem gehaakt.

       De buitenhand blijft ontspannen en de pols vlak, waardoor de handel in de vingers kan draaien.

       De riem wordt voor de inzet gedraaid door druk van de binnenhand.

       Tijdens het draaien voor de inzet kantelt de pols terug naar een vlakke stand.

 

7.4  Uitzethouding

       Handen bevinden zich ter hoogte van het middenrif en iets ervoor.

       De ellebogen wijzen bij het scullen schuin en laag naar achteren.

       Bij het oarsen wijst de buitenelleboog schuin omhoog zodat de onderarm in het verlengde van de riem ligt.

       De schouders zijn ontspannen laag, bij het scullen op n lijn.

       Bij het oarsen ligt de binnenschouder lager dan de buitenschouder.

       De schouderkoppen wijzen altijd naar achter.

       De buik- en rugspieren zijn aangespannen (vormen een spiercorset). De schouders bevinden zich 15-20 graden achter het heupgewricht.

       Bekken: niet te ver achterover gekanteld (niet ingezakt, niet op het stuitje zitten).

       Knien zijn gestrekt (niet overstrekt).

       Voeten: de hele voet heeft kontakt met het voetenbord.

       Het hoofd is recht, blik op de horizon gericht.

 

Uitzethouding bij scullen

Uitzethouding bij oarsen

 

7.5  Uitzetbeweging

       In een doorgaande beweging vanuit de haal. De riem behoudt de snelheid van de haal.

       Scullen: vanuit de ellebogen worden de onderarmen licht naar beneden geduwd.

       Bij het oarsen gebeurt het uitzetten voornamelijk met de buitenarm. De vingers van de buitenhand drukken de handel naar beneden. (Bij boordroeien is de buitenarm het verst van de dol).

       Het blad komt nu verticaal uit het water.

       Zodra het blad helemaal uit het water is wordt de greep wat losser en beweegt de binnenkant van de polsen richting knien (niet verpakken) en draait het blad horizontaal (terugdraaien).

       Oarsers draaien het blad met hun binnenhand.

       De handpalmen zijn los van de handles.

 

 

7.6  Recover

Tijdens de recover moet de roeier aanvoelen hoe de boot onder hem doorglijdt en moet hij plotselinge verstoringen door wind of golven goed op kunnen vangen. Hiervoor moet hij zo veel mogelijk ontspannen en alle bewegingen zonder overmatige krachtsinspanning vloeiend in elkaar over laten gaan. Zo ontstaat een goede balans.

Wegzetten,

       De ellebogen worden in een doorgaande, ontspannen beweging gestrekt.

       De buik- en rugspieren zijn in deze fase ontspannen.

       De handen bewegen ontspannen, horizontaal, op n lijn, tot voorbij de knien.

       Beginnende roeiers draaien de bladen geleidelijk verticaal zodra de handen voorbij de knien zijn. Gevorderde roeiers draaien geleidelijk boven de enkels.

       Draaien van het blad door de polsen geleidelijk terug te kantelen in een vlakke stand.

       De handpalmen zijn los van de handle.

 

Wegzetten bij scullen

Wegzetten bij oarsen

 

Inbuigen

       Bij beginnende roeiers gaan de schouders in een doorgaande, ontspannen beweging pas achter de handen aan als de ellebogen helemaal gestrekt zijn.

       Bij gevorderde roeiers volgen de schouders de handen tijdens het strekken van de ellebogen.

       Dit inbuigen gebeurt vanuit de heupen, die het scharnierpunt vormen.

       De stand van de onderrug zelf blijft onveranderd. De rug- en buikspieren zijn ontspannen.

 

Oprijden

       Vlak voor de schouders vooraan zijn komen de knien geleidelijk omhoog, tot de knien boven of iets achter de enkels zijn.

       Bij het scullen zijn de knien maximaal een vuistdikte uit elkaar.

       Bij het oarsen komen knien en ellebogen om en om.

       De snelheid van het oprijden is 1,5 tot 2 keer lager dan de snelheid van de haal. Bij een wedstrijdtempo verschuift de verhouding naar 1 op 1.

       Het oprijden gebeurt ontspannen en beheerst en is van begin tot eind constant.

       De spanning in rug- en buikspieren wordt opgebouwd.

       Water naderen: tijdens het laatste deel van het oprijden gaan de gestrekte armen ontspannen vanuit het schoudergewricht omhoog. De onderrand van het blad komt zo net boven het wateroppervlak.

 

oprijden

 

7.7  Inzethouding

       De schouders zijn laag, ontspannen en maximaal naar voren gestrekt.

       Bij het scullen zijn de schouders op dezelfde hoogte.

       Bij het oarsen is de buitenschouder hoger dan de binnenschouder, de buitenarm zit tussen de knien.

       De handen zijn bij het scullen op n lijn.

       Bij het oarsen is de buitenhand voor de binnenhand.

       De handen zijn bij het scullen zover mogelijk uit elkaar, maar ongeforceerd.

       Bij het oarsen zij de handen 2,5 handbreedtes uit elkaar.

       De polsen zijn vlak, liggen het verlengde van de onderarm

       De ellebogen zijn bij het scullen gestrekt.

       Bij het oarsen is de buitenelleboog gestrekt, de binnenelleboog licht gebogen.

       De onderbenen zijn (bijna) vertikaal d.w.z. knien boven (of net achter) enkels. De houding is ongeforceerd.

       De onderrug is gefixeerd, buikspieren aangespannen, romp en bovenbenen raken elkaar.

       Bekken: niet te ver gekanteld. Er is een natuurlijk evenwicht tussen een rechte of teveel gespannen rug en een ronde of geheel ontspannen rug.

       De bal van de voet of de hele voet heeft contact met het voetenbord.

       Het hoofd is recht, de blik naar de horizon gericht.

 

Inzethouding scullen

Inzethouding oarsen

 

7.8  Inzet

       Tijdens het naderen van het laatste stukje van de voorstops gaan de gestrekte armen ontspannen vanuit het schoudergewricht nog iets verder (halve bladbreedte) omhoog en wordt het blad vertikaal geplaatst.

       Het blad wordt volledig door water bedekt (alleen het blad, niet de steel).

       De rug blijft gefixeerd in dezelfde stand, de buikspieren aangespannen.

 

7.9  Haal

 

Beginhaal

       Meteen na de inzet zet de roeier zich met de bal van de voet af tegen het voetenbord door de benen te strekken.

       De voeten houden de hele haal contact met het voetenbord. De druk op het voetenbord blijft gedurende de hele haal constant.

       De armen blijven zo lang mogelijk gestrekt en de schouders zo lang mogelijk naar voren gericht (hangen).

Eerste deel van de haal bij scullen

Eerste deel van de haal bij oarsen

 

 

Middengedeelte

       De schouders komen pas boven het heupgewricht als de benen bijna gestrekt zijn.

       De stand van de rug zelf blijft gefixeerd, alleen de hoek tussen bovenbenen romp wordt groter. De buikspieren blijven aangespannen.

Middengedeelte van de haal bij scullen

Middengedeelte van de haal bij oarsen

 

Eindhaal

       Als de gestrekte armen (bijna) boven de knien zijn buigen de ellebogen actief.

       Bij het scullen zitten de handen links boven rechts, vlak bij elkaar, en bewegen in een rechte lijn tot vlak voor het middenrif.

       Bij het oarsen beweegt de buitenhand in een horizontale lijn tot vlak voor het middenrif.

       De voeten houden contact met het voetenbord.

       De rug- en buikspieren zijn aangespannen.

Eindhaal bij scullen

Eindhaal bij oarsen

 

 

Roeien is een cyclische en soepele, natuurlijke beweging. Drastische, abrupte bewegingen belemmeren de snelheid van de boot. De beweging van de bladen is een direct gevolg van de bewegingen van de roeier. Een schematische weergave van goed bladwerk:

uitzet

inzet

Direct effect van de roeitechniek is ritme. Een goed ritme kenmerkt zich door:

 

1 Een krachtige, strakke eindhaal.

2 Een schone uitzet.

3 Een doorgaande beweging in het omkeerpunt achter.

4 Een goede balans om beheerst, ontspannen te kunnen rijden.

 

 

7.10  DVDs over de roeitechniek

 

De DVD van de KNRB laat zien hoe de Nederlandse ploegen roeien. Daarbij wordt uitleg gegeven over de belangrijkste aspecten van de roeibeweging.

 

 

De Perfecte Haal is

een film over de schoonheid van het roeien.

DVD De Perfecte Haal (NL/PAL)

DVD KNRB

De Nederlandse Roeitechniek, 2005

 

DVD (NL/PAL)

De Perfecte Haal

Co Rentmeester

 

7.11  Internetlinks naar videos over roeitechniek (november 2009)

 

http://www.youtube.com/watch?v=oghNu5yFVFA

Basic rowing technique I

 

http://www.youtube.com/watch?v=4of2r8By1LY

Basic rowing technique II

 

http://www.youtube.com/watch?v=Asbj3lwxMDQ

Basic rowing technique: Animatie

 

http://www.youtube.com/watch?v=8PRCx6RA0hI

Warm-up World Championships

 

http://www.youtube.com/view_play_list?p=A7DEDC253545DC11&playnext=1&playnext_from=PL&v=UYmODgeN0tU

Roeitechniek: Xeno Muller (Olympisch kampioen 2000) in de skiff

http://www.roei.tv/

De Nederlandse roeitechniek

 

http://www.invernessrowingclub.co.uk/personal/fionamilne/fiona.html

Beeldje voor beeldje weergave van haalbeeld diverse internationale roeiers

 

 

http://www.youtube.com/view_play_list?p=A7DEDC253545DC11&playnext=1&playnext_from=PL&v=eqVmMd7FdAA

Roeitechniek op de ergometer