10  Techniekoefeningen

10.1  Algemene aanwijzingen

•       Oefeningen zijn geen doel op zich, maar een middel. Gebruik ze dus doelgericht en niet om de roeiers bezig te houden.

•       Doe niet te veel verschillende techniekoefeningen in ιιn les.

•       Doe de oefeningen aan het begin van de les. De concentratie is dan optimaal en er de vermoeidheid gering.

•       Vertel het doel van de oefening.

•       Geef tijdens en na de oefening feed-back, wat gaat goed en wat gaat fout.

•       Stem de oefening en de uitvoering af op het niveau van de roeier:

o       aanleren (basisniveau)

o       verbeteren (basis- en gevorderd niveau)

o       verfijnen (gevorderd niveau)

•       Als een oefening te moeilijk blijkt maak hem dan eenvoudiger, door b.v. te tubben (zie ondersteunende oefening).

•       Laat een oefening nooit te lang duren. De concentratie neemt dan teveel af en daarmee verhoog je de kans op inslijpen van fouten.

•       Roeien is een doorgaande, vloeiende beweging. Sommige oefeningen, met name stop-oefeningen, zijn relatief abrupt. Om inslijpen van stops te voorkomen, mogen deze oefeningen niet te lang duren.

•       Houd rekening met wind en kou, laat roeiers dan niet te lang stilzitten.

 

10.2  Niveau van de oefeningen

Achter elke oefening staat een richtlijn voor het niveau van de roeier. We onderscheiden drie niveaus:

•       basisniveau                         het aanleren van een goede beweging

•       basis- en gevorderd niveau   het verbeteren van de roeibeweging

•       gevorderd niveau                 het verfijnen van de roeibeweging

 

Alle oefeningen voor basis- en gevorderd niveau kunnen in principe gebruikt worden ter verfijning, dus op gevorderd niveau.

Moeilijke oefeningen kunnen vereenvoudigd worden m.b.v. tubben. Tubben kan als ondersteunende oefening gebruikt worden, maar ook met een eigen doel (verzwaring van de haal).

 

10.3  Ondersteunende oefening

10.3.1  Tubben (basisniveau)

Doel:

•       Vereenvoudigen van de situatie (tijdens oefeningen), de boot wordt stabieler.

•       De haal wordt verzwaard. De roeiers voelen meer druk op voetenbord en  bladen en voelen daardoor beter aan wat “hangen aan de riemen” is.

•       Moeilijke oefeningen (b.v. met ongedraaid blad roeien) toch uit kunnen voeren.

Uitvoering:

•       De helft (of ander deel) van de ploeg voert de oefening uit.

•       De andere helft legt de bladen plat op het water en houdt balans.

•       De roeiers die niet roeien, zitten opgereden met de riemen tussen de bovenbenen en de buik, zodat de riemen elkaar niet kunnen raken.

•       Op aanwijzing wisselen.

 

 

10.4  Uitzet

10.4.1  Uitzethouding (basisniveau)

Doel:

•       Juiste uitzethouding aanleren

Uitvoering:

•       oefenen op ergometer, in scullbak

 

10.4.2  Soppen (basisniveau)

Doel:

•       Uitzetten vanuit de ellebogen.

•       Maken van een verticale uitzetbeweging.

•       Doldruk houden

Uitvoering:

•       Goede uitzethouding aannemen

•       Bladen vericaal in het water

•       Herhaalde malen beheerst de uitzetbeweging maken vanuit de ellebogen

 

10.4.3  Vaste bank met draaien van de bladen (basisniveau)

Doel

•       Maken van een doorgaande, vloeiende en verticale uitzetbeweging.

Uitvoering:

•       Roeien zonder oprijden

•       Alleen met de armen roeien,

•       Rug niet inbuigen (let op risico rugopzwaai)

•       Met normaal draaien van de bladen.

 

10.4.4  Vaste bank met ongekanteld blad + tubben (basisniveau)

Doel

•       Maken van een doorgaande, vloeiende en verticale uitzetbeweging.

•       Kan als balansoefening gebruikt worden.

Uitvoering:

•       Ploegen: Helft houdt balans en doet in gedachte mee, zodat het wisselen vloeiend verloopt. Andere helft doet oefening. Na bv. 10 halen op commando vloeiend wisselen.

•       Roeien zonder oprijden

•       Alleen met de armen roeien, rug niet inbuigen (let op risico rugopzwaai)

•       Bladen na de uitzet niet terugdraaien, maar in verticale stand houden

 

10.4.5  Vaste bank met ongekanteld blad (gevorderd niveau)

Doel:

•       Maken van een doorgaande, vloeiende en verticale uitzetbeweging.

•       Kan als balansoefening gebruikt worden.

Uitvoering:

•       Roeien zonder oprijden

•       Alleen met de armen roeien, rug niet inbuigen (let op risico rugopzwaai)

•       Bladen na de uitzet niet terugdraaien, maar in verticale stand houden

 

 

10.4.6  1e stop (elke haal, elke tweede of derde haal) (basis- en gevorderd niveau)

Doel:

•       Controleren en corrigeren van uitzethouding en uitzetbeweging

•       Maken van een verticale uitzetbeweging

•       Verschuift naar balansoefening als de stop langer wordt aangehouden

 

Commando: eer-(bij inzet) ste (tijdens haal) stop! (bij uitzet) na 3 ΰ 4 tellen wachten:  “go” (altijd met langgerekt “gooh” om het rustige glijden te benadrukken).

Uitvoering:

•       Elke haal, elke tweede of derde haal blijft de roeier drie ΰ vier tellen in de uitzethouding zitten.

•       Als balansoefening: stop langer aanhouden.

•       Uitzethouding (1e stop houding):

o       Iets doorgevallen

o       Buikspieren aangespannen (aan buikspieren hangen)

o       Bladen zijn uit het water

o       Ellebogen wijzen schuin naar achter

o       Blad zijn (bijna) teruggedraaid

 

10.4.7  Vaste bank met ongekanteld blad gevolgd door 1e stop (gevorderd niveau)

Doel:

•       Maken van een doorgaande, vloeiende en verticale uitzetbeweging.

•       Controleren en corrigeren van uitzethouding en uitzetbeweging.

•       Verschuift naar balansoefening als de stop langer wordt aangehouden.

Uitvoering:

•       Makkelijker: met tubben: Helft houdt balans en doet in gedachte mee, zodat het wisselen vloeiend verloopt. Andere helft doet oefening. Na bv. 10 halen op commando vloeiend wisselen.

•       Moeilijker: zonder tubben

•       Roeien zonder oprijden

•       Rug niet inbuigen (let op risico rugopzwaai)

•       Na iedere uitzet even in goede uitzethouding blijven zitten (zie 1e stop)

•       Op commando verder roeien

•       Indien balansoefening: stop langer aanhouden

 

10.4.8  Roeien (hele haal) met ongekanteld blad (basis: met tubben, gevorderd niveau)

Doel:

•       Maken van een doorgaande, vloeiende en verticale uitzetbeweging.

•       Bladen tot eind van de haal onder water (bedekt) houden

Uitvoering:

•       Makkelijker: met tubben: Helft houdt balans en doet in gedachte mee, zodat het wisselen vloeiend verloopt. Andere helft doet oefening. Na bv. 10 halen op commando vloeiend wisselen.

•       Moeilijker: zonder tubben

•       Na de uitzet en tijdens de recover blijven de bladen verticaal

 

10.4.9  1e stop met verticaal blad (elke haal, elke tweede of derde haal) (gevorderd niveau)

Doel:

•       Maken van een doorgaande, vloeiende en verticale uitzetbeweging.

•       Bladen tot eind van de haal onder water (bedekt) houden

•       Verschuift naar balansoefening als de stop langer wordt aangehouden.

Uitvoering:

•       Makkelijker: met tubben: Helft houdt balans en doet in gedachte mee, zodat het wisselen vloeiend verloopt. Andere helft doet oefening. Na bv. 10 halen op commando vloeiend wisselen.

•       Moeilijker: zonder tubben

•       Hele haal maken

•       1e stop (zie aldaar voor uitvoering)

•       blad blijft na uitzet verticaal

•       Aantal tellen in de uitzethouding blijven zitten

•       Op commando “go”  met verticaal blad wegzetten, inbuigen en langzaam naar voren glijden.

 

 

10.5  Uitzet-wegzetten (coφrdinatie)

10.5.1  Basisoefening

Doel:

•       Vloeiende overgang tussen uitzetbeweging, bladen draaien en wegzetten

•       Vloeiend wegzetten

Uitvoering:

•       Goede uitzethouding aannemen:

o       Bladen verticaal en volbedekt in het water

o       Handen ter hoogte van onderste ribben

o       Ellebogen schuin naar achteren

o       Schouders laag

o       Blik op de horizon

o       15°- 20° doorgevallen

o       Knieλn gestrekt

•       Op commando Opgelet …. Nω! bladen verticaal uitzetten

•       Bladen vloeiend horizontaal draaien

•       Ellebogen vloeiend strekken

•       Rug niet inbuigen

•       Tijdens wegzetten bladen vloeiend verticaal draaien

•       Blad beheerst plaatsen

•       Zonder kracht halen

•       Boot stilleggen en opnieuw vanuit uitzethouding beginnen

 

10.5.2  Handen strekken (basis- gevorderd niveau)

Doel:

•       Ontspannen armen en schouders

Uitvoering:

•       Tijdens het wegzetten de vingers gestrekt op de handel leggen

 

10.5.3  Vaste bank met draaien, snelheid van wegzetten geleidelijk verhogen (gevorderd niveau)

Doel:

•       Vloeiende overgang tussen uitzetbeweging, bladen draaien en wegzetten

•       Vloeiend wegzetten

•       Verschil in snelheid van wegzetten ervaren

Uitvoering:

•       Roeien zonder oprijden

•       Alleen met de armen roeien

•       Rug niet inbuigen (let op risico rugopzwaai)

•       Snelheid van wegzetten geleidelijk verhogen

•       Uitzet-wegzetten moet vloeiend blijven

 

10.5.4  2e stop (basis- en gevorderd niveau)

Doel:

•       Juiste volgorde van uitzetten en wegzetten

•       Vloeiende overgang uitzetten-wegzetten

•       Wegzetten voor inbuigen

•       Met langere stop wordt het meer een balansoefening

 

Commando: twee (bij inzet) de (tijdens haal) stop! (bij uitzet), na 3 ΰ 4 tellen: “go” (met langgerekt “gooh” om het rustige glijden te benadrukken.

Uitvoering:

•       Na de uitzet van elke haal, elke tweede of derde haal blijft de roeier 3 ΰ 4 tellen in de volgende houding zitten:

o       Armen gestrekt

o       Benen gestrekt

o       Schouders boven heupgewricht

•       Op commando “go” vanuit de heupen inbuigen

•       Langzaam naar voren glijden

•       Beheerst inzetten en halen

•       Na een of twee hele halen of meteen weer 2e stop

•       Etc.

 

10.6  Wegzetten-inbuigen

10.6.1  3e stop (basis- en gevorderd niveau)

Doel:

•       Vloeiende overgang tussen uitzetbeweging, bladen draaien, wegzetten en          inbuigen

•       Juiste volgorde wegzetten – inbuigen

•       Controleren en corrigeren houding van de rug

•       Optimaal klaar zitten en rustig glijden

•       Wordt meer balansoefening naarmate de stop langer aangehouden wordt.

 

Commando: der (bij inzet) de (tijdens haal) stop! (bij uitzet), na 3 ΰ 4 tellen: “go” (met langgerekte “ooh” om het rustige glijden te benadrukken.

Uitvoering:

•       Elke haal, elke tweede of derde haal blijft de roeier in de volgende houding zitten:

o       Armen gestrekt

o       Benen gestrekt

o       Rug is vanuit de heupen ingebogen (schouders wijzen naar voren)

o       Bladen horizontaal

•       Op commando “go” langzaam naar voren glijden

•       Tijdens rijden bladen vloeiend verticaal draaien

•       Rug blijft gefixeerd in dezelfde stand

•       Beheerst vanuit de schouders inzetten

•       Een of twee hele halen maken gevolgd door 3e stop, of meteen weer 3e stop

•       Als balansoefening: stop langer laten duren

 

10.6.2  Glijden

Doel van de volgende oefeningen:

•       Beheerst en regelmatig glijden

•       Doorlopen van de boot voelen

 

Uitvoering:

In een bepaald aantal tellen oprijden (basisniveau)

•       Na wegzetten en inbuigen in 3 (of meer tellen) naar voorstops glijden

•       Stuurman telt. Commando: In …. Uit….  1, 2, 3, In …. Uit…. 1, 2, 3, etc.

•       “In” is de haal, “uit” is de uitzet en wegzetten, 1, 2, 3 is het glijden

•       Hoe meer tellen, hoe moeilijker

 

Eenzelfde afstand in minder halen roeien (gevorderd niveau)

•       Een bepaalde afstand roeien

•       Het aantal halen tellen dat gemaakt wordt

•       Dezelfde afstand in dezelfde richting in minder halen roeien

 

Eenzelfde afstand in meer tijd roeien (basisniveau)

•       Een bepaalde afstand roeien en de tijd opnemen

•       Dezelfde afstand in dezelfde richting opnieuw roeien, maar in meer tijd

 

Stevige of harde haal en langzaam glijden (gevorderd niveau)

•       Skiff, C1: Afstand tussen de kolken zo groot mogelijk maken

•       Ploeg: afstand tussen de kolk van de boeg en de daaropvolgende kolk van de slag zo groot mogelijk maken (uit de kolken komen)

•       In tempo 16-20 een krachtige haal maken

 

10.7  Glijden-Inzet

10.7.1  2e stop gevolgd door 3e stop (basis- en gevorderd niveau)

Doel:

•       Gelijktijdig en vloeiend verticaal draaien van de bladen

•       Water naderen

•       Inzetten vanuit de schouders

•       Stand van de rug gefixeerd houden voor de inzet

•       Rustig en beheerst glijden

Uitvoering:

•       2e stop

o       Commando: twee (bij inzet) de (tijdens haal) stop! (bij uitzet), na 3 ΰ 4 tellen: “go” (met langgerekt “gooh” om het rustige glijden te benadrukken.

o       Na de uitzet van elke haal, elke tweede of derde haal blijft de roeier 3 ΰ 4 tellen in de volgende houding zitten:

o       Armen gestrekt

o       Benen gestrekt

o       Schouders boven heupgewricht

•       Op commando “go”  inbuigen gevolgd door  3e stop

•       Op commando “go” langzaam naar voren glijden

•       Tijdens het rijden de bladen vloeiend verticaal draaien

•       Rug blijft gefixeerd in dezelfde stand

•       Beheerst vanuit de schouders inzetten

 

10.7.2  Ύ  bank (basis- en gevorderd niveau)

Doel:

•       Inzetten tijdens laatste stukje glijden

Uitvoering:

•       Roeien met oprijden tot Ύ van de sliding

•       Roeier heeft gevoel dat blad directer geplaatst wordt

•       Bij roeien met hele sliding gevoel vasthouden

 

10.8  Inzet

10.8.1  Inzethouding (basisniveau)

Doel:

•       Juiste inzethouding aanleren

Uitvoering:

•       oefenen op ergometer, in scullbak

 

10.8.2  Kogelen (basisniveau)

Doel:  -

•       Inzetbeweging vanuit het schoudergewricht maken

•       Aanvoelen hoe hoog de handen opgetild moeten worden

Uitvoering:

•       Bladen vanuit schoudergewricht aantal malen achter elkaar beheerst uit- en inzetten

•       Goede inzethouding aannemen

•       Bladen verticaal in het water

•       Op commando met gestrekte armen vanuit de schouders de handen naar beneden duwen

•       Direct de bladen weer plaatsen door handen met gestrekte armen vanuit de schouders weer omhoog te bewegen

•       In- en uitzetten is een korte snelle beweging

 

10.8.3  Alleen met de armen en met verticaal blad roeien (gevorderd niveau)

Doel:

•       directe, snelle inzet met goede bladstand

Uitvoering:

•       Start vanuit de inzetpositie met verticaal blad

•       Een bepaald aantal halen maken zonder armen bij te halen

•       Bladen verticaal houden

•       Let op dat de rug niet ingezet wordt

 

10.9  Inzet- Haal

10.9.1  Eιn haal vanuit een aantal inzetbewegingen (basisniveau)

Doel:

•       Juiste volgorde van inzet en trappen

Uitvoering:

•       Goede inzethouding aannemen

•       Bladen verticaal

•       Een aantal keren “kogelen”

•       Ιen haal maken

•       Boot stilleggen

•       Opnieuw inzethouding aannemen

•       Etc.

 

10.9.2  Op de ergometer op slides roeien

Doel:

•       Goede coφrdinatie inzet-trappen

 

 

10.10  Haal

10.10.1  Handlevoering

Doel:

•       Voorkomen van knijpen, verpakken, kromme polsen

Uitvoering:

Pianospelen (basisniveau)

•       Tijdens het oprijden achtereenvolgens pink, ringvinger en middelvinger loslaten

 

Vingers strekken (basisniveau)

•       Uitzetten met verticaal blad

•       Bij het uitzetten de vingers strekken

 

Haak maken van vingers (basisniveau)

•       Vingers als haken om de handle bij de inzet

•       Handpalm open

•       Polsen vlak, in rechte lijn met onderarm

 

10.10.2  Spoelhalen (basisniveau)

Doel:

•       Aanvoelen van de stand van het blad in het water

•       Aanvoelen juiste aanhaalhoogte

Uitvoering:

•       Bladen vanuit de inzethouding in verticale stand naar roeier toe laten drijven

•       handles losjes vast laten houden

•       laten zien dat zo een rechte lijn gevolgd wordt door de handen.

 

10.10.3  Alleen roeien met de buitenarm (oarsen) (basisniveau)

Doel:

•       Voelen dat de buitenarm de grootste hefboom heeft, i.t.t. de binnenarm.

Uitvoering:

•       In vieren en achten tubben als de oefening te moeilijk is.

•       De roeiers leggen hun binnenhand op de rug.

•       De roeiers roeien alleen met de buitenarm en dus ook met ongedraaid blad.

 

10.10.4  Roeien met de binnenhand zoveel mogelijk richting dol geschoven. (basisniveau)

Doel:

•       Voelen dat de buitenarm de grootste hefboom heeft, i.t.t. de binnenarm.

Uitvoering:

•       De roeiers schuiven tijdens het roeien de binnenhand zover mogelijk richting de dol.

 

10.10.5  Tegenhouden op de ergometer / scullbak (basisniveau)

Doel:

•       Voelen dat de kracht van de benen overgebracht moet worden op de       handle/de riemen, dat het lichaam een spanningsboog vormt. Aanleren van actief in de schouders hangen i.p.v. passief in de onderrug. Gevoel krijgen van ‘sterk zitten’.

Uitvoering:

•       De roeier zit in de juiste inpikhouding op de ergometer.

•       De instructeur houdt de handle in het midden vast en houdt de roeier tegen.

•       De roeier voelt het hangen (tussen de schouders en in de handen) terwijl hij tegen het voetenbord trapt.

 

10.10.6  Halve strijkhaal (basisniveau)

Doel:

•       Voelen dat je met je benen roeit, Heel duidelijk ervaren dat je hangt aan je riemen terwijl de armen gestrekt blijven.

Uitvoering:

Door een strijkhaal te maken krijgt de boot snelheid tegengesteld aan de vaarrichting en wordt de haal verzwaard. De boot ligt in balans en iedereen kan een ‘perfecte inpik’ maken:

•       De roeiers gaan klaar zitten op halve bank in de inpikhouding

•       Bladen verticaal onder water

•       Op commando beginnen met oprijden (bladen blijven onder water).

•       Na volledig oprijden direct (rustig) uittrappen.

 

10.10.7  Tubben (basis- en gevorderd)

Doel:

•       De haal wordt verzwaard. De roeiers voelen meer druk op het voetenbord en de bladen en voelen beter aan wat “hangen aan de riemen” is.

Uitvoering:

•       De helft (of een ander deel) van de ploeg roeit een bepaald aantal halen

•       De andere helft legt de bladen plat op het water en houdt balans.

•       De roeiers die niet roeien, zitten opgereden met de riemen tussen de bovenbenen en de buik, zodat de riemen elkaar niet kunnen raken.

•       Op aanwijzing van de stuurman neemt een ander deel van de ploeg het roeien vloeiend over.

 

10.10.8  Pimenov-oefening: alleen met de benen roeien (basis- en gevorderen)

Doel:

•       Optimale koppeling benen, rug en armen

Uitvoering:

•       Goede inzethouding aannemen

•       Bladen verticaal

•       Alleen roeien met de benen

•       Ingebogen blijven zitten (rug komt niet mee)

•       Armen blijven gestrekt

 

10.10.9  Met halve bank roeien (basis- en gevorderd)

Doel:

•       Snelle beentrap

Uitvoering:

•       Roeien met gebruik van halve sliding

•       Eventueel met ongedraaid blad

 

10.10.10  Ιιn krachtige haal vanuit stilstand (basis- en gevorderd niveau)

Doel:

•       Optimale koppeling benen, rug en armen

Uitvoering:

•       Goede inzethouding aannemen

•       Bladen verticaal

•       Ιιn harde haal maken

•       Boot stilleggen

•       Opnieuw beginnen

•       Etc.

 

10.10.11  Roeien met losse voeten (basis- en gevorderden)

Doel:

•       Contact houden met het voetenbord tot het einde van de haal

•       Niet te ver doorvallen

Uitvoering:

•       De voetenriemen worden losgemaakt of de voeten worden op de schoenen gezet

 

10.10.12  Invallen (gevorderden)

Doel:

•       doorzetten van de beentrap

Uitvoering:

•       De slagen roeien een bepaalt aantal halen

•       De roeiers erachter houden balans en roeien in gedachte hetzelfe ritme

•       Op aangeven van de stuurman vallen twee roeiers in

•       Op aangeven van de stuurman vallen de volgende roeiers in

•       Etc.

•       Naarmate meer roeiers meedoen krijgt de boot meer snelheid. De roeiers moeten dat verschil voelen en daardoor de snelheid van de beentrap opvoeren

 

10.10.13  Met weerstand roeien (gevorderden)

Doel:

•       krachttraining

Uitvoering:

•       Een touw aan de punt van de boot vastbinden

 

10.11  Gelijkheid

Doel van de volgende oefeningen: bevorderen gelijkheid

10.11.1  In- en uitzet aangeven (basisniveau)

Uitvoering:

•       Stuurman geeft in- en uitzet gedurende een bepaalde tijd aan

•       Stuurman stopt vervolgens met aangeven

•       Roeiers proberen gelijkheid vast te houden

 

10.11.2  Kijken naar het bankje van de roeier die voor je zit (basisniveau)

Uitvoering:

•       De roeier kijkt naar het bankje van de roeier die voor hem zit

•       De roeier volgt exact hetzelfde glijtempo

 

10.11.3  Met ogen dicht roeien (basis- en gevorderden)

Uitvoering:

•       Roeiers roeien met ogen dicht

•       Roeiers luisteren naar in- en uitzet

 

10.11.4  Uitlengen van vaste naar hele bank (basis- en gevorderen)

Uitvoering:

•       Bankje is bij de achterstops (benen uitgetrapt)

•       20 halen alleen met de armen roeien, zonder inbuigen

•       Dan 20 halen met inbuigen

•       Dan 20 halen Ό bankje, 20 halen ½ bank, 20 halen Ύ bank, hele haal

 

10.11.5  Overnemen (basis- gevorderden)

Uitvoering:

•       De slag roeit een bepaald aantal halen

•       De roeier erachter houdt balans en roeit in gedachte hetzelfde ritme

•       De slag stopt met roeien

•       De roeier achter de slag neemt het vloeiend en in hetzelfde ritme over

•       Roeier stopt met roeier

•       Volgende roeier neemt weer over

 

10.11.6  Invallen (basis- en gevorderden)

Uitvoering:

•       De slag roeit een bepaalt aantal halen

•       De roeier erachter houdt balans en roeit in gedachte hetzelfe ritme

•       Op aangeven van de stuurman valt de roeier achter de slag in

•       Op aangeven van de stuurman valt de volgende roeier in

•       Etc.

 

10.11.7  Volgen van variaties (basis- en gevorderden)

De slag maakt op eigen initiatief een aantal variaties en de ploeg probeert de slag te blijven volgen: Uitvoering:

•       De lengte van het oprijden varieert

•       De snelheid van het glijden varieert

•       De kracht van de haal varieert

•       Het tempo varieert

 

10.12  Balans

Doel:

•       balans verbeteren

Uitvoeringen:

•       Met ongekanteld blad roeien (gevorderd niveau)

•       1e, 2e, 3e stop met langere duur van de stops (basis- en gevorderd niveau)

•       Uitlengen van vaste bank naar Ό, ½, Ύ, en hele bank (gevorderd niveau)

•       Uitlengen van vaste bank naar Ό, ½, Ύ, en hele bank en weer terug via Ύ, ½, Ό naar vaste bank, etc. (gevorderd niveau)

 

10.13  Ritme

Doel van de volgende oefeningen: -

•       (Ploeg)ritme verbeteren

10.13.1  Twee halen met vaste bank afgewisseld met een hele haal (gevorderd niveau)

Uitvoering:

•       Twee halen met vaste bank

•       Vervolgens ιιn hele haal

•       De hele haal dwingt een rustige recover af

 

10.13.2  Afwisselend halve bank en hele bank roeien (gevorderd niveau)

Uitvoering:

•       Een haal met halve bank

•       Vervolgens ιιn hele haal

•       Etc.