11  Commandos

11.1  Algemeen

 

       De commandos worden door de stuurman/-vrouw gegeven, of door de boeg van ongestuurde boten.

       De commandos moeten vlot, duidelijk en met de juiste nadruk gegeven worden.

       Roeiers moeten de commandos onmiddellijk opvolgen.

       Roeiers worden aangesproken met:

het nummer van de roeiplaats: te beginnen bij de boeg (1) en oplopend naar de slag (2, 4 of 8 afhankelijk van het boottype).

of

het boord waarop ze roeien: stuurboord en bakboord.

 

11.2  Naam en beschrijving van de commandos

Veel commandos bestaan uit een waarschuwingscommando n een uitvoeringscommando. Deze commandos worden uitgevoerd op het uitvoeringscommando nu .

11.2.1  Het uitbrengen van C-vieren

 

Aan de boorden

De roeiers stellen zich bij de boot op, zoveel mogelijk bij de tilspanten voor en achter. De stuurman staat bij het roer.

 

Als de boot laag ligt:

Overpakken

De roeier slaat een arm over de huid en pakt ook het andere boord vast.

 

Als de boot laag ligt:

Stuurboord / bakboord onder door

De roeiers van het genoemde boord kruipen n voor n onder de boot door naar het andere boord en pakken het boord vast.

 

Tillen gelijk n

De roeiers tillen de boot van de stelling (niet schuiven!) het gangpad in. Let goed op de huid en dollen, ook van de boten die er onder en er boven liggen!

 

Als de boot laag ligt:

Stuurboord / bakboord onder door

De roeiers van het genoemde boord kruipen n voor n onder de boot door naar het andere boord en pakken het boord vast.

 

In de handen

De boot wordt met de boorden in de handpalmen naar het vlot gedragen.

 

 

11.2.2  In het water leggen van C-vieren

 

Overslagen los

De roeiers draaien met n hand de overslag los.

 

Draaien met de kiel naar de loods / het vlot

De roeiers draaien de kiel van de boot naar beneden in de aangegeven richting en pakken de boot vast aan een (til)spant.

 

Stuurboord / bakboord onder door

De roeiers van het genoemde boord kruipen n voor n onder de boot door naar het andere boord en pakken een (til)spant vast.

 

Door de handen

De roeiers schuiven de boot met de punt eerst loodrecht over de rand van het vlot of over de rollerbaan het water in. Een kiel zonder beslag mag het vlot niet raken.

Als de kiel geen beslag heeft mag de boot niet over de rollerbaan!!!

 

 

Plaats eerst de riem aan de walkant en dan de riem aan de waterkant, de boot blijft dan beter in balans liggen en blijft beter aan het vlot.

 

11.2.3  Uit het water halen van C-vieren

 

Aan de boorden

De roeiers stellen zich op bij de boot bij hun eigen roeiplaats. De boot wordt op het water haaks op het vlot of de rollerbaan gedraaid, punt richting vlot. De stuurman houdt de boot vast aan een landvast. Draai de boot met de windrichting mee. Boten zonder beslag mogen niet over de rollerbaan!!!!

 

Door de handen

De roeiers verdelen zich evenredig over beide boorden. De boot wordt vervolgens loodrecht over de rand van het vlot of over de rollerbaan met de punt eerst uit het water geschoven. Een kiel zonder beslag heeft mag het vlot niet raken!!!

 

Handen in de spanten

De roeiers pakken de boot zover mogelijk aan de uiteinden vast aan een tilspant.

 

Tillen gelijk n

De roeiers tillen de boot tegelijkertijd op.

 

De boot wordt vervolgens op een kar gelegd en tot voor de loods gereden of hij wordt op schragen voor de loods gelegd.

 

Als de boot op schragen gelegd wordt:

Draaien met de kiel naar de brug / Ter Aar

De kiel van de boot wordt in de aangegeven richting naar boven gedraaid. De roeiers nemen de boorden in de handpalmen.

 

In de handen

De boot wordt met de boorden in de handpalmen naar schragen voor de loods gedragen.

 

 

 

Til altijd met rechte rug, dus zoveel mogelijk door de knien.

 

Niet aan de riggers tillen, ze kunnen zo verbuigen.

 

 

C-vieren worden zoveel mogelijk aan de uiteinden getild, aan de tilspanten.

 

 

 

11.2.4  Tillen, in het water leggen en uit het water halen van een C1 en C2: aan de tilspanten.


Een C2 en een C1 worden net als een skiff in het water gelegd en uit het water gehaald. De boot wordt parallel aan het vlot in het water gelegd en uit het water getild. De roeiers en helpers tillen zoveel mogelijk aan de uiteinden, aan de tilspanten.

 

11.2.5  Het uitbrengen van gladde boten

 

Aan de boorden

De roeiers stellen zich bij de boot op bij hun eigen roeiplaats.

 

Als de boot laag ligt:

Overpakken

De roeier slaat een arm over de huid en pakt ook het andere boord vast.

 

Tillen gelijk n

De roeiers tillen de boot van de stelling (niet schuiven!) het gangpad in. Let goed op de huid en dollen, ook van de boten die er onder en er boven liggen!

 

Als de boot laag ligt:

Stuurboord / bakboord onder door

De roeiers van het genoemde boord kruipen n voor n onder de boot door naar het andere boord en pakken het boord vast.

 

In de handen

De roeiers dragen de boot ondersteboven met de boorden in de handen naar buiten / het vlot.

 

Buiten, nooit in de loods!

Boven de hoofden n

De roeiers tillen de boot met een zwaai boven de hoofden.

 

Op de rechter- / linkerschoudern

De roeiers draaien de boot schuin ondersteboven, leggen het boord op de linker- / rechter- schouder en dragen hem naar het vlot.

 

 

 

11.2.6  In het water leggen van gladde boten

 

Boven de hoofden n

De roeiers staan evenwijdig aan het water op het vlot, tegenover elkaar, ieder bij het eigen boord, en tillen de boot met een zwaai boven de hoofden.

 

Voor de buiken

De roeiers laten de boot met de vin naar beneden voor de buiken zakken terwijl ze het gezicht naar het water draaien. Alle roeiers staan nu aan hetzelfde boord, de boot tussen henzelf en het water in.

 

Overslagen los

De roeiers kantelen de boot iets naar zich toe en draaien met n hand de overslag los.

 

Tenen aan de rand ver weg

De roeiers zetten n voet tot aan de rand van het vlot (tenen niet er

overheen!) en leggen de boot voorzichtig en tegelijkertijd in het water. De huid en vin mogen het vlot niet raken.

 

 

 

11.2.7  Uit het water laten van gladde boten

 

Aan de boorden

De roeiers stellen zich bij de boot op bij hun eigen roeiplaats.

 

Tillen gelijk n

De roeiers tillen de boot aan de boorden (niet aan de riggers!) uit het water, tot voor de buiken.

 

De boot kan op de schouders of in de handen naar de schragen gedragen worden.

 

Boven de hoofden Stuurboord / Bakboord onderdoor

De roeiers tillen de boot met een zwaai boven de hoofden. Tijdens het boven de hoofden zwaaien van de boot, draaien de roeiers die niet aan hun eigen boord staan naar hun eigen boord. Alle roeiers laten de boot vervolgens beheerst in de handpalmen zakken.

 

Op de linker- / rechterschouder n

De boot wordt op de genoemde schouder gelegd en naar de schragen gedragen.

 

 

 

11.2.8  Dragen, in het water leggen en uit het water halen van een skiff

 

Bij het dragen van een skiff tilt de roeier aan de tilstang of de vleugelrigger en de helper aan het puntje. De skiff wordt evenwijdig aan het vlot in het water gelegd en eruit gehaald.

 

 

11.2.9  Instappen

 

Aan de boorden

De roeiers stellen zich bij de boot op bij hun eigen roeiplaats.

Klaarmaken om in te stappen ...

De roeiers staan met het gezicht naar de achtersteven / stuurplaats.

De voeten staan naast elkaar, evenwijdig aan de boot.

De roeiers pakken met de hand aan de waterkant de handle(s) bovenhands vast en met de andere het boord aan de vlotzijde. Niet op het boord leunen!

 

Instappen gelijk

 

n

De roeier zet de voet die het dichtst bij de boot staat op het opstapplankje.

 

Twee

Het lichaamsgewicht boven de voet op het opstapplankje brengen.

Het andere been binnenboord halen en de voet meteen boven het voetenbord brengen.

Het standbeen buigen en op het bankje gaan zitten.

 

Drie

De voet van het opstapplankje op het voetenbord zetten.

 

Overslagen dicht .

De roeiers maken de overslagen dicht terwijl ze lichtjes naar de walkant leunen.

 

 

11.2.10  Van het vlot vertrekken

 

Uitzetten gelijk n

Alle roeiers pakken met n hand de vlotrand vast en duwen tegelijkertijd krachtig de boot van het vlot.

 

Als er gn drukstangen zijn Stuurboord / bakboord slippend strijken

De roeiers aan de vlotkant leggen de riemen langszij (met de bolle kant van de bladen naar de boot toe) en duwen met het blad de boot voorzichtig van de kant. De roeiers maken vervolgens korte strijkhalen terwijl ze licht overhellen naar het veilig boord, en roeien zo de boot van de kant af.

 

Bedankt

De roeiers stoppen met slippend strijken.

 

Riem uitbrengen

De roeiers leggen de riemen haaks op de boot en de bladen plat op het water.

 

Als er drukstangen stangen zijn: Riemen afduwen..

De roeier helt licht over naar het veilig boord en trekt de riem aan de vlotkant in. De roeier zet de tip van het blad in verticale stand tegen de vlotrand en duwt de riem voorzichtig weer de dol in. De boot wordt zo van de kant geduwd.

 

 

 

afduwen met de riem (bij drukstangen) slippend strijken (geen drukstangen)

 

11.2.11  Manoeuvreren vanuit stilstand

Strijken gelijk . n

Achteruit varen. Roeiers draaien de bladen met de bolle kant naar de achtersteven / stuurplaats, zetten ze verticaal in het water en duwen de handles van zich af. Big blades hoeven niet gedraaid te worden.

 

Strijken bakboord / stuurboord n

Roeiers draaien hun blad aan het genoemde boord met de bolle kant naar de achtersteven / stuurplaats, zetten ze verticaal in het water en duwen de handle van zich af. Big blades hoeven niet gedraaid te worden.

 

Beide boorden halen n

Alle roeiers halen zonder of met weinig oprijden.

 

Halen bakboord / stuurboord n

Roeiers halen alleen aan het genoemde boord zonder of met weinig oprijden.

 

Bedankt

Roeiers leggen de riemen haaks op de boot en plat op het water

 

Rondmaken over stuurboord.... n

Alle roeiers gaan in de uitzet-houding zitten met het stuurboordblad in de strijkstand en het bakboordblad in de haalstand. Op het commando n met stuurboord al oprijdend een strijkhaal maken. De bakboordriem beweegt boven of op plat op het water (blad iets opdraaien zodat het niet onder water getrokken wordt) mee. Als de strijkhaal is afgelopen met bakboord een gewone haal maken. De bladen aan stuur- en bakboord maken dus om en om een haal.

 

Rondmaken over bakboord.... n

Idem, maar nu begint bakboord met strijken.

 

 

11.2.12  Beginnen met roeien

Slag klaarmaken ....

De inpikhouding aannemen met de bladen plat op het water.

 

Slag klaar ....

Bladen verticaal in het water zetten.

 

Af

Beginnen met roeien.

 

 

11.2.13  Stoppen met roeien

 

Laat ... lopen

laat wordt als waarschuwing gezegd bij de inpik, lopen bij de uitpik. Na de uitpik strekken de roeiers de armen en drukken de handles iets de boot in zodat de bladen vrij van het water blijven.

 

Bedankt

De roeiers leggen de bladen plat op het water. Bladen iets opdraaien zodat ze niet onder water getrokken worden.

 

Houden bakboord / stuurboord .... n

Stoppen van de boot. De roeiers draaien de bladen aan beide boorden geleidelijk naar de verticale stand.

 

Houden beide boorden n

Draaien van de boot naar bak- of stuurboord.

De roeiers draaien de bladen aan het genoemde boord geleidelijk naar de verticale stand.

 

 

11.2.14  Van koers veranderen tijdens het roeien

 

Bakboord sterk/ stuurboord sterk

Bocht maken. Krachtiger halen of strijken, alleen aan het genoemde boord.

 

En gelijk

Weer rechtuit varen.

De roeiers gaan aan beide boorden weer even hard halen of strijken.

 

 

11.2.15  Sneller of langzamer gaan varen

Lichte haal ... n

Roeiers halen met weinig kracht.

 

Spoelhaal ... n

Roeiers halen zonder kracht.

 

Sterke haal ... n

Roeiers halen met veel kracht.

 

 

 

11.2.16  Aanleggen: kies een hoek van ongeveer 30

 

 

11.2.17  Aanleggen

 

Lichte haal n

Roeiers halen met weinig kracht.

 

Spoelhaal n

Roeiers halen zonder kracht.

 

Laat lopen

laat wordt als waarschuwing gezegd bij de inpik, lopen bij de uitpik. Na de uitpik strekken de roeiers de armen en drukken de handles iets de boot in zodat de bladen vrij van het water blijven.

 

Bedankt

De roeiers leggen de bladen plat op het water. Bladen iets opgedraaid zodat ze niet onder water getrokken worden.

 

Stuurboord / bakboord hoog n

De roeiers duwen de handles van de riemen aan het genoemde boord naar beneden en hellen iets over naar het andere boord.

 

Bakboord / stuurboord klaar om te houden

Een waarschuwingscommando: de roeiers aan het genoemde boord moeten zeer alert zijn.

 

Houden n

Op n draaien de roeiers de bladen snel tot de verticale stand in het water.

 

 

 

11.2.18  Uitstappen

 

Overslagen los

De stuurman staat op het vlot en pakt de boot in het midden aan het boord vast, en zorgt dat hij vrij van het vlot blijft. De roeier maakt de overslag aan de waterkant open en helt licht naar de walkant.

 

Uitstappen gelijk

De roeier maakt zich klaar om uit te stappen. De stuurman houdt de boot van het vlot.

 

en

De voet aan de waterkant wordt op het opstapplankje gezet. n hand houdt de handle(s) vast, de andere het boord, de vlotrand of de rigger.

 

Twee

Op de voet gaan staan, de andere uit het voetenbord halen, op de kant zetten en er op gaan staan.

 

Drie

De voet op de opstapplank wordt bijgehaald en tegelijkertijd wordt de riem aan de waterkant meegetrokken.